God wordt in de Naardense Bijbel aangeduid en aangesproken als de ENE. Is dat de meest adequate vertaling van het Hebreeuwse JHWH? Hoe ben je tot die vertaling gekomen?

De vertaling van de godsnaam is één van de meeste ingewikkelde onderdelen van een bijbelvertaling. Al sinds de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Tenach is de vertaling met ‘Heer’ (Kurios) het meest gebruikelijk. Je zou kunnen zeggen: ‘de Heer’ heeft echt de oudste papieren, direct overgenomen in de Latijnse Vulgata met Dominus. Dat heeft de toon gezet door de eeuwen heen. Iedereen begrijpt dat het over God gaat als je spreekt over ‘de Heer’.

De laatste veertig jaar is die vertaling echter in discussie, vanwege het sterk masculine dat wij nu veel meer voelen en ook meer als storend ervaren dan vroeger. Met de beroemde woorden van Sinie Strikwerda: ‘De Heer kan niet meer!’. JHWH betekent trouwens ook helemaal niet ‘de Heer’. Wat de betekenis wel is is niet zo duidelijk, omdat de godsnaam door de joden niet wordt uitgesproken. Als we op de plaats van JHWH ‘de Heer’ lezen dan is dat een vertaling van Adonaj dat in de synagoge wordt gebruikt om de godsnaam te vermijden. Maar die ‘stand in’ is geen vertaling. In de achttiende en negentiende eeuw is men nog begonnen met Jehova, maar dat was een grote vergissing. De klinkertekens bij JHWH (a/e, o, a) zijn die van Adonaj (om duidelijk te maken dat als er JHWH staat je Adonaj moet lezen). Als je dat niet begrijpt dan denk je dat je JHWH moet uitspreken als Jehova.

In eerdere deeluitgaven vertaalde ik ‘Die-er-zijn-zal’ of ‘Die-zal-komen’ of ‘Die-is-en-was-en-zal-komen’, omdat dat in de buurt komt van de betekenis van JHWH en je zo de mannelijke vorm vermijdt. Maar die vertalingen waren veel te veel een mond vol, – dat werkt niet. Je kunt met Kees Waaijman kiezen voor ‘Wezer’ maar dat is niet echt mooi, het is een wat gekunstelde nieuwvorm die niet altijd begrepen wordt.

We hebben andere mooie benamingen geprobeerd, zoals ‘de Aanwezige’ of ‘de Barmhartige’, maar het bezwaar tegen die veelzeggende vertalingen is dat ze ook weer té veel zeggen. De godsnaam komt 6000 keer voor in de Bijbel, dan moet je zorgen dat je vertaling niet gaat hinderen.

Op een gegeven moment kwam ik op de ‘de ENE’. Dat is maar twee lettergrepen, twee onbelaste lettergrepen. Het is sekseneutraal, maar je kunt het naadloos vervangen door de HEERE voor wie dat graag zegt (waarbij ikzelf HEERE meer hoor klinken als de vrouwelijke pendant van HEER, al is dat in het zeventiende-eeuwse Nederlands natuurlijk niet het bijgevoel geweest). Ook belangrijk is dat ‘de ENE’ nog door niemand geclaimd was, door geen studentengemeente, vertaalgroep of sekte. Het was nog relatief neutraal. ‘De ENE’ is kort en krachtig. Neutraal genoeg om vervangen te kunnen worden door HEERE en andere mogelijkheden, maar eenvoudig genoeg om niet te gaan hinderen als je het 6000 keer leest, vlak genoeg, niet te betekenisvol. Het is heel triviaal, maar dat is de belangrijkste reden om voor ‘de ENE’ te kiezen. En het heeft ook zo gewerkt. ‘De ENE’ is vlak genoeg om niet storend of kwetsend te zijn. Tegelijkertijd is het eerbiedig genoeg om ook in reformatorische kring acceptabel te zijn. En sommigen ontlenen er ook een stukje theologie aan, omdat ze Deuteronomium 6, 4 terughoren (“Hoor, Israël! – de ENE is God, de ENE alleen!”) wat twee connotaties heeft: de Eeuwige is één en ondeelbaar en tegelijk is de Eeuwige ook de enige, het gaat om die ÉNE (“weet je wel die ENE, waar we het nu over hebben..!” )